Huijbregt Patijn ging door het lint



Marijtje Kool, de echtgenote van de eerste sluiswachter, was op haar beurt een nakomeling van Huijbregt Patijn. Over hem vond de redactie een interessant verhaal.



De oude dorpssmederij.


De geschiedenis vangt aan in 1662, toen de smid Leendert Pieters Pathijn zich in zijn vereelte handen wreef, omdat hij een stuk looituin voor de prijs van zevenhonderd carolus gulden kon kopen. En wel van de erfgenamen van de "leerlooyer- schoenmaecker" Jan Dircks Heckenhouck. Dit strekte van 's Heerenstraat (nu Noordeinde in Schiedam) tot de helft van de sloot om het land van Jacob Jans de Jonghe, Schout van Spaland, ten oosten belend aan de bakker Ysaeck Jans Heckenhouck (hoek Vlaardingseweg) en ten westen de wielmaker (wagenmaker) Ary Aryen van der Hout ( nu schildersbedrijf Ham )
Deze Leendert is een zoon van Pieter Jans Pathijn, "meester hoeffsmit bij de Kethelpoort binnen de veste van Schiedam. Pieter Jans Pathijn leverde bij het herstel van de kerk in 1630 al het ijzerwerk.
Wanneer zoon Leen zich te Kethel vestigde is onbekend. Wel weten we dat hij in 1650 een huis kocht op de hoek van de Cruysstraet (nu rijwielhandel 't Centrum). Leendert trouwt met Jaepje Huybrechtsdr van der Nol uit de Lier. Naast smit was hij ook herbergier. In 1662 verkoopt hij zijn herberg aan Ary jans Coppert voor f. 2000,00 en schaft zich een deel van de al eerder genoemde looituin aan. Hierop verrijst de nieuwe smederij.
De ruimte om binnen paarden te beslaan was zeker al spoedig te klein. We lezen in een kerkrekening uit 1670: "Ontvangen van Leendert Pieters Pathijn voor een jaer recognitie voor gebruijck van de grond daarop desselfs travaelje tot weder zegginghe is gestelt, 4 stuijvers." Hoelang hij die vier stuivers betaald heeft weten we niet, wel dat de "wederzegginghe"kwam in 1957, maar toen door de gemeente Schiedam.

De smederij van Huijbregt Patijn

We doen nu eerst even een stapje terug om bij te spijkeren hoe het met de smederij is vergaan. Wel, in 1676 vertrok baas Leendert Pathijn terug naar Schiedam en gaf zijn eigendom als huwelijksgoed aan zijn zoon Huybrecht bij diens verbintenis met Jannetje Abrahamsdr Heckenhoeck, waarde twee duizend gulden. Maar...... het is belast met een schuld van f. 200,00 aan de gereformeerde diaconie en f. 300,00 toekomend aan Heilige Geest armenfonds. Huybrecht trachtte de eindjes aan elkaar te smeden door nog meer geldleningen. Vergeefs. In 1687 is het zo ver, de geabandoneerde ( failliete ) boedel wordt openbaar geveild en afgemijnd door zijn zwager Johannes Heckenhoeck ten bedrage van f. 1150,00.
De smid blijft er wonen en werken tot...... Heckenhoeck het in 1695 aan Arent Huige van der Meer verkoopt. "Huijs en erve mitsgaders een smitswinckel, travaye en gereedschappen zoals blaesbalch, schrouff, slijpsteen, gereedschap voor beslaen, blockken, waterback enz."voor de lieve som van f. 1650,00, boven 31 gulden en 10 stuijvers tot speldengeld".
Nu helpt er geen moedertje-lief aan, nu moet Huybrecht het huis uit. Hij trekt het zich zo aan, dat het hem blijk baar in z'n bol slaat. Op 12 augustus 1695 getuigen, voor een notaris te Schiedam, onder anderen buurman Claes van den tempel, "dat hij in een nacht in maert Pathijn vanuit de smitswinckel, dat aldernaest sijn huysinghe in de dorp staende is, hem menigmael hadden horen fulmeren (razen) en schelden omdat hij uijt het voorseijde huijs most vertrecken. Hem hooren en sien seggen dat hij de roon (rode) haen daerin soude jagen. Denoteerende ( bedoelend ) 't voorseijde huijs daer hij uijt most verhuijsen." Leendert Hoffwegh wist te vertellen "dat hij op dinsdagh voor Ketel kermis sijnde 2 augustus, des 's mergens half vier uur bij GabriŽl van der Koij, herbergier (in de Vergulde Valck) de smit heeft gezien, in de hant een soopje hebbend en als doen seer groffelijck en goddeloos swoer en vloekte en seij: "De duijvel heeft mij al wegh, daer quam per een in mijn deur, de Duijvel gaf mijn in dat ick hem soude dood steken; daer sit nog een duijvel in 't voorhuijs.
Waerop gevraegt wie is dat, Pathijn antwoordde 't is Jan Marckenburgh, die sal ick mede doodsteken. De duijvel heeft mij ingegeven dat ick mijn handen in 't bloet van mijn vrunden (familie) sal wassen. Daarbij ook Johan Heckenhoeck bedoelende, en verder: " Ick ga met de duijvel reijsen. Ick moet 12 uren van deze dagh met hem marcheren".
Het welk Arij Jacobs Coppert ook getuigde. Terwijl Arent Huijgen van der Meer, smid in het dorp, verklaarde dat hij op 't kerckhoff heeft liggen een hoop koolasche en zagh dat op 9 augustus Huybrecht Pathijn daer eenighe van deselve koolassche wegh haelde. Dat gethuige hem dat verbood, maer hij met wegh haelen voortgingh. Mogelijk bracht Pathijn "die koolassche"naar sijn huijs (in de Dorpstraat) zo pas gekocht met geld van zwager Johan; alwaar hij en zijn vrouw hun laatste levensjaren zouden slijten.


Klik hier voor de persoonskaart van Huijbregt Patijn



Bron: De zeis aan de wilgen
Tekst: Jaap de Raat