Een leven vol tegenslagen



Pieter Cornelisz van den Doel werkte als veerschipper bij zijn vader op het Sas, toen hij op bijna twintigjarige leeftijd in 1837 trouwde met Adriana Weeda, een schippersdochter uit Sommelsdijk. Al gauw werd hun zoon Cornelis geboren. Dit kind werd maar een jaar en stierf zes weken na de geboorte van het tweede zoontje, Adrianus. Adriana overleefde de geboorte van haar tweede kind slechts vier weken. Zij stierf of vierentwintigjarige leeftijd.



Na anderhalf jaar hertrouwde Pieter van den Doel met Cornelia Bakker. Zij was de dochter van een winkeliers in Dirksland. Het huwelijk tussen Pieter en Cornelia werd op 15 mei 1840 voltrokken, enige maanden na de geboorte van hun dochter Hester. Pieter was toen kennelijk schipper op de binnenvaart. Hester werd in Amsterdam geboren, de volgende dochter Josina in Dirksland, een zoon Cornelis in Oud-Beijerland en een dochter Jacoba in Amsterdam.



Begin 1846 overleed Cornelia Bakker aan boord van hun schip in De Kaai van Dirksland. Een paar weken later werd Pieter van den Doel sluiswachter op het Sas. De notulen van de vergadering van het bestuur van de Gemeen Uitwatering vermelden de reden niet, maar op 10 februari 1846 tekende Cornelis van den Doel een verklaring waarin hij op staande voet afstand deed van zijn functie als sluiswachter ten behoeve van zijn zoon Pieter. Opmerkelijk is de belofte dat Cornelis zich in geen enkel opzicht meer met het sluiswachterschap zou bemoeien zonder voorkennis van zijn zoon. In 1848 werd Pieter beŽdigd. Zijn traktement was honderd gulden per jaar.



In 1850 trouwde Pieter voor de derde keer. Zijn derde vrouw was Neeltje Ruigentuin uit Ouddorp, die als dienstbode in Sommelsdijk werkzaam was. Bij het huwelijk werd aangetekend dat Pieter van den Doel zijn verplichting omtrent de Nationale Militie gedaan had. Pieter en Neeltje kregen in 1851 een dochter Adriaantje. Het kind werd nog geen zeven maanden oud en twaalf dagen na Adriaantje stierf ook Neeltje Ruigentuin.



Voor het jaar 1851 betekende dat drie keer zware rouw op het Sas, want in maart was ook Pieters vader overleden. Na de dood van zijn vader werd Pieter in 1851 door de gemeente Dirksland aangesteld als ambtenaar belast met het toezicht op de inning van haven- en sluisgelden, terwijl moeder Josina van Breda gemeentelijk 'veerschipperesse' werd.



Zijn vierde huwelijk bracht Pieter meer geluk dan de voorgaande drie. Hij trouwde in 1853 met de vijftien jaar jongere Johanna Schilperoord uit Sommelsdijk. Bij deze vrouw kreeg Pieter nog elf kinderen. Van die elf kinderen overleed ťťn kind, Cornelis, als zuigeling/kleuter.



De zonen van Pieter van den Doel startten hun loopbaan vanzelfsprekend als schipper. De oudste zoon Adrianus uit Pieters eerste huwelijk was werkzaam op het Sas tot hij in 1867 trouwde met de dochter van een landbouwer in Dirksland en daarheen verhuisde.



In 1861 kwam er een inwonende knecht naar het Sashuis, de jonge Johannes Koppelman uit Sommelsdijk. Hij staat omschreven als 'werkbode'. Pieter van den Doel had toen een groot gezin met jonge kinderen en er zouden nog meer kinderen komen.



In de registers van de burgerlijke stand treffen we Pieter van den Doel van 1846 - 1860 aan als sluiswachter, van 1861 - 1867 tot en met zijn overlijden in 1885 als landbouwer. Zijn tapperij had hij in het Sashuis, hetgeen het veer aantrekkelijker maakte voor de passagiers. Hij combineerde dus meerdere activiteiten op en rond het Sas.



Op 15 oktober 1885 kwam onverwacht een einde aan zijn veelbewogen leven. Zijn vrouw Johanna Schilperoord, die tien kinderen van haarzelf en vier stiefkinderen had grootgebracht, bereikte de hoge leeftijd van drieŽntachtig jaar. In 1885 volgde zij haar man op als gemeentelijk ambtenaar belast met de recherche van haven- en sluisgelden.



Te vinden op het internet

Klik hier voor de akte, waarmee de erfenis van Johanna Schilperoord werd afgewikkeld.


Tekst: Peter van den Doel
Bron: Dirksland Sas in genealogisch perspectief
Dirksland, 2001
Klik hier voor de persoonskaart van Pieter



"