Graaf Albert II van Cuijck

Mannelijk 1160 - 1233  (73 jaar)

Persoonlijke informatie    |    Aantekeningen    |    Bronnen    |    Alles    |    PDF

  • Naam Albert II van Cuijck  [1
    Prefix Graaf 
    Geboorte 1160 
    Geslacht Mannelijk 
    Naam Albrecht 
    Overlijden 1233 
    Persoon-ID I1041525763  DoeVos
    Laatst gewijzigd op 8 mrt 2019 

    Vader Hendrik II van Kuijc,   geb. ca. 1130, Cuyk, , Limburg, Netherlands Vindt alle personen met gebeurtenissen op deze locatieovl. 1204, Cuyk, , Limburg, Netherlands Vindt alle personen met gebeurtenissen op deze locatie (Leeftijd ~ 74 jaar) 
    Moeder Sophia van Renen, Erfdochter van Herpen,   geb. ca. 1130   ovl. na 1203 (Leeftijd ~ 74 jaar) 
    Huwelijk ca. 1160  Utrecht, , Utrecht, Netherlands Vindt alle personen met gebeurtenissen op deze locatie  [2
    _STAT civil 
    Gezins-ID F1165767147  Gezinsblad  |  Familiekaart

    Gezin Heilwich van Meerheim,   geb. 1170   ovl. 1235 (Leeftijd 65 jaar) 
    Huwelijk ca. 1200 
    Kinderen 
    +1. Graaf Hendrik III van Cuijck,   geb. 1195   ovl. 1254 (Leeftijd 59 jaar)
    Gezins-ID F1365445343  Gezinsblad  |  Familiekaart
    Laatst gewijzigd op 8 mrt 2019 

  • Aantekeningen 
    • Ridder; heer van Cuyk en Grave (1204), Herpen, Merum en half Asten (1220); tot 1220 stadsgraaf van Utrecht (van de leenovergang vernemen wij evenwel niets in de oorkonden. Geërfd heeft Albert heer van Cuyck en Herpen het graafschap van Utrecht zeker, anders had hij het op 12 maart 1220 niet tegelijk met nog andere rechten aan de Utrechtschen bisschop kunnen verkoopen). Albertus de Cuk erfde dus van vaderszijde (nà 1204) het graafschap van Utrecht en van moederszijde (nl. van zijn vooroverleden (of wellicht kanunnik zijnde) broeder Godefridus, of van zijn oud-oom Gerlacus de Renen, nà 1187) het burggraafschap van Utrecht. Vermeld sinds 1191. Het lukte bisschop Otto van der Lippe op 12 maart 1220 (OB. Sticht II no. 673) door koop van Albertus de Kuc het Utrechtsche graafschap in bezit te krijgen. Zó was het echter ook voor Albertus mogelijk de comitia en rumincga (omtrent de ruminga, het ruimingsrecht, zegt Rietechel, dat dit een recht was om vooruitspringende of overhangende gebouwen te
      doen afbreken, maw. dit sloeg op het handhaven van een rooilijn, dat in de steden Straatsburg, Regensburg, Worms, Keulen en Utrecht de burggraven toekwam en daar door hen op gelijke wijze werd uitgeoefend. Practisch geschiedde dit aldus, dat de burggraaf met dwars over het zadel gelegde lans door de straten reed en dan de verwijdering gelastte van alle vooruitstekende uitbouwsels, waar zijn lans tegen aan stootte. Men zal dit nu wel niet al te letterlijk dienen op te vatten, want in Utrecht bv. gold het ruimingsrecht ook voor de boven de grachten overhangende gebouwen. In Utrecht bezat de burggraaf dit recht uitsluitend
      in zijn gerecht, dus in de Burg en op een omschreven terrein aan de voet van de burgmuur, maar in de stad kwam het, buiten de verschillende kerkelijke immuniteitsgebicden, de graaf van Utrecht toe. Evenals bij de latere bouwverordeningen kan men zich voorstellen, dat dit bouw-politionele recht van graaf en burggraaf zijn grond vond in het toezicht houden op de militaire veiligheid en de verkeerseisen) in Utrecht geheel buiten interventie van de kroon aan de bisschop te kunnen verkopen. In zijn tijd was het graafschap dus al zo ver ingeschrompeld, dat het slappe Rijksbestuur er geen belang meer in zag zijn rechten op te eisen. Misschien was het zelfs wel zover gekomen, dat Albertus er niet eens meer op regelmatige wijze door de koning mede beleend was geworden en had hij ambt en titel maar op zich genomen, omdat beide nu eenmaal behoorden tot het erfdeel zijner Vaderen. Dit zou dan ook verklaren, dat de kroon zich niet tegen de onrechtmatigheid van de verkoop schijnt te hebben verzet. De inhoud van het koopcontract van 1220 spreekt er voor, dat het de bisschop er alleen om te doen was den Koningsban, de hoge jurisdictie, ook in het laatste schijn-bolwerk van de kroon, bij en vrijwel in zijn Stad, in handen te krijgen. Eerst nà die koop kon hij de stad maken tot een éénvormige rechtsgemeenschap, waarin alleen de kapittel-immuniteiten enclaves vormden; pas toen was de bisschop volledig stadsheer geworden en kon hij gaan denken aan een volkomen ommuring van zijn stad.
      Wat Albertus hier verkocht had, waren de bevoegdheden, verbonden aan het graafschap van Utrecht, bevoegdheden, die nà 1209 moeilijk meer als zodanig waren te herkennen, toen koning Otto zijn gezag in het bisdom geheel had prijs gegeven; zij werden met de rechten behorend tot het officium van het burggr aafschap van Utrecht, beide in de oorkonde samengevat met
      de collectieve naam 'comitiam et rumincgam' overgedragen en door Albertus nader omschreven als 'jura, que nobis asscripsimus in Traiecto, vel de jure habemus'; de jure hield hij van de bisschop zonder twijfel het burggrafelijke ambt ea. in leen, zodat 'asscripsimus' wel zal slaan op de onbetekenende rechten van het graafschap, die hij zich maar toegekend had. Albertus verkoopt echter niet alles, hij maakt in de verkoop-oorkonde een uiterst belangrijk voorbehoud 'eo salvo, quod homines, qui jure fidelitatis nobi tenentur retineamus'.
      Het burggrafelijke officium zelf was gebonden aan de enge grenzen van Vismarkt, Zoutmarkt en Corte Gaerde (Gem. Arch. Utrecht. Reg. Transporten en Plechten. Cat. Stad Utr. 1. no. 705 dd. 17 maart 1563; zie ook: Van Campen, Maandbl. Oud-Utrecht 1937 pag. 43) en hield daarenboven in het ruimingsrecht op (een deel van) de pons urbanus (OB. Sticht II no. 972, september 1241) (huidige St. Maartensbrug). De 'homines', de manschap verbonden aan het burggraafschap, materiëel wel het meest essentiëele bestanddeel van het leen, behield Albertus uitdrukkelijk aan zich. Vandaar, dat de koopsom slechts het zo opvallend lage bedrag van 200 pond bedroeg. Juist door die aanzienlijke leengoederen overtrof het Utrechtsche burggraafschap verre het Utrechtsche graafschap in betekenis.
      NL 1949 kol 287: Albertus heer van Kuyck en Herpen trouwde vermoedelijk een zuster van de Zeeuwse burggraaf Theodericus de Vorne. Zij kregen om. een zoon Dirc, die 'was broeder te Kuucq' (v. Mieris 11, pag. 680. 11 November 1343) en door zijn huwelijk met Christina Jacobsdr., Casteilana van Leyden, burggraaf van Leyden werd (Obreen: Genealogie van het geslacht van Wassenaer, in De Wap. 1899, p. 225 sqq. v. d. Bergh. OB. Holland en Zeeland 1, no. 546. 20 juli 1251).

  • Bronnen 
    1. [S3195] Geneanet, https://gw.geneanet.org/richardremme?lang=nl&iz=0&p=albert+ii+albrecht+graaf+van&n=cuijk (Betrouwbaarheid: 3).

    2. [S1165] Kareldegrote.nl.